ECLI:NL:CRVB:2024:2086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante werkte als [naam functie] in een ziekenhuis en viel uit op 22 januari 2018. Het Uwv kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf 20 januari 2020, volledig arbeidsongeschikt. Na afloop van deze periode werd zij vanaf 20 januari 2022 aangemerkt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, eveneens volledig arbeidsongeschikt.
De ex-werkgever maakte bezwaar tegen deze beoordeling, waarna een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsvond. Op basis hiervan concludeerde het Uwv dat appellante slechts 6,09% arbeidsongeschikt was en stelde passende functies vast binnen haar belastbaarheid. Het Uwv besloot daarom de WIA-uitkering per 13 april 2023 te beëindigen.
Appellante voerde aan meer beperkingen te hebben dan vastgesteld, waaronder nachtrustverstoring en vermoeidheid na oncologische behandeling, en betwistte de geschiktheid van de geduide functies. De rechtbank oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen voldoende waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en wees aanvullend ingediende medische stukken af wegens te late indiening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.