ECLI:NL:CRVB:2024:209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens verwijtbaar niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
Appellante ontvangt sinds 2014 bijstand en werkte vanaf september 2021 als horecamedewerker bij een werkgever. De arbeidsovereenkomst werd met wederzijds goedvinden per 14 november 2021 beëindigd nadat appellante zich had afgemeld vanwege de zorg voor haar zieke kind. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verlaagde daarop haar bijstand met 100% voor een maand wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, omdat zij verwijtbaar algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij onder druk instemde met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat de maatregel niet op haar financiële situatie was afgestemd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet anders kon dan instemmen met het ontslag en dat het college terecht de maatregel oplegde. Ook was onvoldoende gebleken dat de maatregel had moeten worden afgestemd op haar financiële omstandigheden.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten en appellante kreeg het griffierecht niet terug. De maatregel blijft derhalve onverminderd van kracht.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% voor één maand wordt bevestigd wegens verwijtbaar niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.