ECLI:NL:CRVB:2024:21
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet tijdig melden huwelijk aan Sociale Verzekeringsbank
Appellant ontving sinds juni 2018 een AOW-uitkering als ongehuwde pensioengerechtigde. Hij trouwde op 16 januari 2019 in Marokko en meldde dit op enig moment bij de gemeente. De gemeente informeerde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) pas in februari 2020 over het huwelijk, waarna de Svb het pensioen herzag en een bedrag terugvorderde.
De Svb legde appellant een boete op wegens het niet tijdig melden van het huwelijk. Appellant stelde dat hij op advies van de gemeente eerst een apostille in Marokko moest regelen en dat de gemeente de Svb zou informeren. Ook voerde hij aan dat Covid-19 reisbeperkingen hem verhinderden tijdig terug te keren naar Nederland, en dat de Svb onvoldoende rekening hield met deze omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij mocht vertrouwen op de gemeentelijke mededelingen en dat de Covid-19 beperkingen een verzachtende omstandigheid vormden. De Raad oordeelde dat appellant niet had onderbouwd dat de gemeente hem de mededeling had gedaan dat hij het huwelijk niet aan de Svb hoefde te melden. Ook was de Covid-19 grond niet toereikend omdat de gemeente de Svb al in februari 2020 informeerde.
De Raad concludeerde dat de boete proportioneel was en dat appellant deze volledig had voldaan. Het hoger beroep werd afgewezen en de boete bleef in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van het griffierecht.
Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig melden van het huwelijk blijft onverminderd van kracht.