ECLI:NL:CRVB:2024:2124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig technisch tekenaar/werkvoorbereider, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekte sinds juli 2019. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige onderzoeken vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering toe te kennen. Appellant voerde aan dat hij meer beperkingen heeft dan vastgesteld, onder meer vanwege eczeem en psychische klachten, en dat nieuwe functies geselecteerd hadden moeten worden na aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbanken oordeelden dat de medische beperkingen onvoldoende waren onderbouwd en dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en benadrukte dat de WIA-beoordeling een aparte, actuele beoordeling is die niet gebonden is aan eerdere beoordelingen zoals de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb). De Raad vond dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de medische situatie van appellant en dat de geselecteerde functies passend waren.
Het beroep van appellant op nieuwe functies na wijziging van de FML slaagde niet, omdat het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten dit niet voorschrijft en minimaal drie eerdere functies nog passend zijn. Ook het bezwaar dat appellant vanwege eczeem niet representatief zou zijn voor de functie van receptionist werd verworpen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken en handhaafde de weigering van de WIA-uitkering per 21 juli 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WIA-uitkering krijgt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.