ECLI:NL:CRVB:2024:2155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem per 5 augustus 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Hij stelt dat zijn medische beperkingen, waaronder rug- en knieklachten en psychische problemen, zwaarder wegen dan het UWV heeft vastgesteld, en dat de geselecteerde functies niet passend zijn vanwege communicatieve en sociale beperkingen.
De rechtbank Amsterdam heeft het bezwaar ongegrond verklaard en geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige de functies passend heeft geselecteerd. Appellant is het hier niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld en concludeert dat het UWV terecht heeft besloten geen WIA-uitkering toe te kennen. De medische beoordeling is zorgvuldig en juist, en de arbeidskundige beoordeling is voldoende gemotiveerd. De door appellant ingediende medische stukken brengen geen nieuwe inzichten die tot een ander oordeel leiden.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De weigering van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.