ECLI:NL:CRVB:2024:2157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, die zich ziekmeldde met hand-, pols- en duizeligheidsklachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de uitkering af. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen groter zijn dan aangenomen, met name vanwege hand-, nek-, schouderklachten, duizeligheid en psychische klachten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de ingediende medische stukken uitvoerig heeft beoordeeld en geen aanleiding zag voor een andere conclusie.
De Raad gaat in op de specifieke klachten zoals vertigo, schouderproblemen, longklachten na COVID, handklachten en psychische stoornissen. In alle gevallen is geoordeeld dat de beperkingen correct zijn vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidskundige beoordeling bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn.
Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 november 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.