ECLI:NL:CRVB:2024:216
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen geldige ingebrekestelling per e-mail bij staatssecretaris Defensie
Appellant stelde de staatssecretaris van Defensie per e-mail in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar tegen een afwijzing van een verzoek om bevordering. De staatssecretaris wees de ingebrekestelling af omdat deze niet per post was verzonden, zoals vereist. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze weigering ontvankelijk, maar oordeelde dat de ingebrekestelling niet geldig was omdat de elektronische weg niet expliciet was opengesteld voor ingebrekestellingen. Hierdoor was geen dwangsom verschuldigd.
Appellant ging in hoger beroep tegen dit oordeel, stellende dat hij mocht aannemen dat e-mail volstond gezien de eerdere communicatie via e-mail en online formulieren. De Raad volgde dit niet en benadrukte dat de staatssecretaris discretionair bevoegd is om de elektronische weg al dan niet open te stellen en nadere eisen te stellen. De Raad vond de werkwijze en het onderscheid niet onredelijk, mede omdat appellant direct werd geïnformeerd dat de ingebrekestelling per post moest worden verzonden.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat geen geldige ingebrekestelling was verzonden en dat de staatssecretaris geen dwangsom verschuldigd is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de per e-mail verzonden ingebrekestelling niet geldig is en dat de staatssecretaris geen dwangsom verschuldigd is.