Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen en de dwangsom niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1953 en met psychische klachten als gevolg van de vervolging van zijn vader, ontvangt sinds 1995 een periodieke uitkering op basis van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (WUV). Hij verzocht meerdere malen om herziening van de grondslag van deze uitkering, waarbij telkens werd vastgesteld dat geen nieuwe feiten of relevante gegevens waren aangevoerd die een herziening rechtvaardigen.
In 2023 diende appellant opnieuw een verzoek in tot herziening, waarop verweerder op 3 augustus 2023 een besluit nam tot afwijzing van het verzoek. Appellant stelde beroep in tegen deze afwijzing en tegen het niet tijdig beslissen, maar het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder inmiddels had beslist en appellant geen procesbelang meer had.
De Raad oordeelt dat het verzoek om herziening terecht is afgewezen omdat de aangevoerde gegevens onvoldoende zijn om het inkomen over de relevante periode objectief vast te stellen. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die het eerdere besluit uit 1995 in een ander licht plaatsen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en appellant krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard; het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard.