ECLI:NL:CRVB:2024:2198
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving sinds december 2019 bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres in een woonplaats. Naar aanleiding van een interne melding startte het dagelijks bestuur een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, een gesprek met appellant en een huisbezoek op het uitkeringsadres.
Op basis van het onderzoek trok het dagelijks bestuur de bijstand per 23 maart 2022 in, omdat appellant niet voldeed aan de inlichtingenplicht en niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er onvoldoende feitelijke grondslag was voor het besluit, maar dit werd door de Centrale Raad van Beroep verworpen. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur aannemelijk had gemaakt dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef, onder meer omdat appellant geen sleutel had, er geen kleding aanwezig was en de koelkastinhoud niet overeenkwam met zijn verklaring. Ook ontbraken pinbetalingen en contante opnames in de woonplaats.
Het hoger beroep werd afgewezen, waardoor de intrekking van de bijstand in stand blijft. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 23 maart 2022 wordt bevestigd omdat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.