ECLI:NL:CRVB:2024:2223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag aanvullende beurs met terugwerkende kracht wegens tijdige aanvraagverzuim
Appellant vroeg om toekenning van een aanvullende beurs met terugwerkende kracht vóór 1 september 2021. De minister had de aanvullende beurs toegekend vanaf die datum, maar niet eerder. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en wees daarbij op het dwingende karakter van artikel 3.21, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000, zonder afwijkingsmogelijkheid.
Appellant ervaart beperkingen door het syndroom van Asperger, met name organisatorische problemen waarvoor hij hulp nodig heeft. Desondanks had hij, al dan niet met hulp, maatregelen kunnen treffen om zijn aanvraag tijdig in te dienen. Onbekendheid met de regeling en beperkte informatievoorziening rechtvaardigen volgens de Raad geen toepassing van de hardheidsclausule.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de aanvraagverzuim aan appellant toe te rekenen is. De Raad benadrukt dat appellant voldoende informatie had om een aanvraag te doen en dat zijn beperking geen vrijstelling van de aanvraagplicht oplevert. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aanvullende beurs wordt niet met terugwerkende kracht vóór 1 september 2021 toegekend.