ECLI:NL:CRVB:2024:2231
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving een WIA-uitkering die het UWV per 29 september 2020 beëindigde omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast en selecteerden passende functies. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had en de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde voor haar klachten op de datum van de beëindiging. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Raad oordeelde dat het medisch onderzoek, inclusief een spreekuuronderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zorgvuldig en toereikend was.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering beëindigde en dat de geselecteerde functies passend waren. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende medisch onderbouwd was, werd dit gebrek in hoger beroep hersteld zonder nadelige gevolgen voor appellante. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.