Uitspraak
12 december 2022, 21/2582 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met psychische en lichamelijke klachten, mede veroorzaakt door een auto-ongeluk. Het UWV heeft haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15,32% en geweigerd een uitkering toe te kennen omdat dit onder de 35% grens ligt.
De rechtbank Oost-Brabant heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid juist was ingeschat. Appellante voerde aan dat haar beperkingen ernstiger waren en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren, maar kon dit niet medisch onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De medische stukken en rapportages geven geen aanleiding tot twijfel aan de juiste inschatting van het UWV. De Raad bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn en dat appellante niet voldoet aan de vereiste mate van arbeidsongeschiktheid voor een WIA-uitkering.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.