ECLI:NL:CRVB:2024:2287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken toegenomen medische beperkingen
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich in 2018 ziek. Het UWV weigerde een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, maar wel geschikt voor andere functies. Na een WW-uitkering en een nieuwe ziekmelding in maart 2022 kende het UWV een ZW-uitkering toe, die zij per 26 mei 2022 beëindigde wegens het ontbreken van toegenomen medische beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de beperkingen niet waren toegenomen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen wel waren toegenomen, mede door medicatiebijwerkingen en onvoldoende vermelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst.
De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek uitgebreid en zorgvuldig was, dat appellante zelf had afgezien van een hoorzitting en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische stukken voldoende had beoordeeld. De Raad bevestigde dat de medische beperkingen niet waren toegenomen en dat de eerder geselecteerde functies nog steeds geschikt waren.
Het hoger beroep werd verworpen, de beëindiging van de ZW-uitkering bleef in stand en appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt het toetsingskader voor beëindiging van ZW-uitkeringen na een eerdere WIA-beoordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering per 26 mei 2022 wegens het ontbreken van toegenomen medische beperkingen.