Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak staat de vraag centraal of het UWV terecht aan appellante per 21 augustus 2017 geen WIA-uitkering heeft toegekend omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante stelde dat zij meer medische beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen, waardoor zij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De Raad heeft in een eerdere tussenuitspraak geoordeeld dat het medisch onderzoek in de bezwaarfase niet met de vereiste zorgvuldigheid was verricht, omdat er geen spreekuurcontact had plaatsgevonden en het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom dit niet nodig was. Ter uitvoering hiervan heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante op 11 maart 2024 gezien en een rapport opgesteld waarin werd uitgelegd dat een lichamelijk onderzoek niet nodig was gezien de datum in geding en eerdere onderzoeken.
Appellante voerde aan dat het spreekuur meer een hoorzitting was en dat het medisch onderzoek nog steeds onzorgvuldig was, mede omdat revalidatie nog gaande was. De Raad oordeelt echter dat het medisch onderzoek alsnog zorgvuldig is uitgevoerd, dat de medische feiten juist zijn vastgesteld en dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd waarom de functies medisch geschikt zijn.
De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak en het besluit van 28 juni 2018, verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt vernietigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen.