Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met psychische klachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast, waaronder een urenbeperking van circa 20 uur per week en beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren, maar concludeerden dat zij geschikt is voor bepaalde functies.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellante tegen de weigering ongegrond verklaard, waarbij zij de medische beoordeling en geschiktheid voor de geselecteerde functies onderschreef. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen op het gebied van concentratie, aandacht, herinnering, samenwerking en handelingstempo werden onderschat en dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De Raad oordeelt dat de medische beoordeling door het UWV voldoende gemotiveerd is en dat appellante geen aanvullende medische stukken heeft overgelegd die haar beperkingen op de datum van beoordeling onderbouwen. Ook is niet gebleken dat de geselecteerde functies haar belastbaarheid te boven gaan. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de weigering van de WIA-uitkering blijft staan en appellante geen vergoeding van proceskosten ontvangt.