Uitspraak
6 juni 2024, 23/6496 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar het ingediende beroepschrift bevatte geen gronden, zoals vereist op grond van artikel 6:5, eerste lid, Awb. De gemachtigde van appellant is bij brief van 9 augustus 2024 in de gelegenheid gesteld dit te herstellen binnen vier weken, maar heeft deze termijn niet benut.
Vervolgens is bij aangetekende brief van 9 september 2024 nogmaals een termijn van vier weken gesteld om alsnog beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat overschrijding kan leiden tot niet-inhoudelijke behandeling. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan. Er zijn geen verontschuldigingen aangevoerd die het verzuim rechtvaardigen.
Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wordt zonder inhoudelijke behandeling beslist. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 26 november 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen daarvan binnen gestelde termijnen.