ECLI:NL:CRVB:2024:2323
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens erfenis boven vermogensgrens
In deze zaak ging het om de terugvordering van bijstand die aan appellant was verleend over de periode van 1 juli 2021 tot en met 15 augustus 2021, vanwege een erfenis die appellant in februari 2022 ontving na het overlijden van zijn vader in 2021. De erfenis van €7.881,84 bracht het vermogen van appellant boven de voor hem geldende vermogensgrens van €6.295,-. Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch vorderde daarom €1.586,84 terug, het bedrag boven de vermogensgrens.
Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat de erfenis niet tot het vermogen mocht worden gerekend en dat er procedurele fouten waren gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en ook in hoger beroep werd dit oordeel bevestigd. De Raad oordeelde dat de Participatiewet alle vermogensbestanddelen meeneemt, tenzij een beperkt aantal uitzonderingen van toepassing is, waartoe een erfenis niet behoort. Daarnaast was het college bevoegd om namens zichzelf op te treden via ambtenaren en was er geen sprake van schending van privacy of onrechtmatige intimidatie.
De Raad wees verder op de plicht van appellant om zich te informeren over de regels omtrent vermogensvrijlating en oordeelde dat het college geen onrechtmatige inbreuk had gemaakt door de Basisregistratie Personen te raadplegen. De terugvordering bleef daarmee in stand en appellant kreeg geen vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens een erfenis boven de vermogensgrens wordt bevestigd.