Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:2339

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2024
Publicatiedatum
12 december 2024
Zaaknummer
24/838 PW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

Appellant stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en gaf aan dat hij door het onterecht beëindigen van zijn uitkering niet in staat was het griffierecht te voldoen. Tevens verwees hij naar betaling van griffierecht in een voorlopige voorziening, die volgens hem verrekend had kunnen worden.

De Raad oordeelde dat appellant zijn financiële situatie eerder had kunnen melden en een beroep op betalingsonmacht had kunnen doen, wat niet was gebeurd. Verrekening van griffierecht tussen verschillende procedures is niet mogelijk. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 27 november 2024
24/838 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 april 2024, 23/3716 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk Sociale Dienst Brunssum Onderbanken Landgraaf (Brunssum)

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 9 juli 2024 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 oktober 2024.
Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De Raad heeft het hoger beroep van appellant in de uitspraak van 9 juli 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
In verzet geeft appellant aan dat door onterecht beëindigen van zijn uitkering appellant niet in staat was om de griffiekosten van € 138,- te voldoen. Daarbij geeft appellant aan dat hij de griffiekosten in de voorlopige voorziening wel heeft voldaan en deze verrekend hadden kunnen worden met het hoger beroep aangezien de voorlopige voorziening is afgewezen.
De Raad overweegt dat appellant zijn financiële situatie eerder bij de Raad kenbaar had kunnen maken en een beroep op betalingsonmacht kunnen doen. Dan had de Raad daar onderzoek naar kunnen doen. In de nota’s die naar appellant zijn verstuurd wordt deze mogelijkheid uitdrukkelijk genoemd. Appellant heeft dit niet gedaan. Het verrekenen met het wel betaalde griffierecht in een verzoek om voorlopige voorziening is niet mogelijk. Voor elke procedure wordt griffierecht geheven. De voorlopige voorziening is behandeld en daarna afgewezen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van N.B. Yalçınkaya als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2024.
(getekend) J.C. Boeree
De griffier is verhinderd te ondertekenen