ECLI:NL:CRVB:2024:2354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-verjaring vordering ondanks bezit onroerend goed
Appellante ontving bijstand van 1995 tot 2018 en werd geconfronteerd met een terugvordering wegens bezit van onroerend goed in Marokko. Het college stelde vast dat appellante en haar ex-echtgenoot vermogen hadden in de vorm van appartementencomplexen, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand over meerdere jaren.
Appellante voerde aan dat de vordering was verjaard omdat het college al in 2014 op de hoogte was van het bezit van het appartementencomplex. De Raad oordeelde echter dat daadwerkelijke bekendheid met de vordering pas ontstond na uitgebreid onderzoek door het IBF en de sociale recherche, afgerond in 2017.
De Raad bevestigde dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas begon te lopen vanaf het moment dat het college daadwerkelijk op de hoogte was van feiten die een terugvordering rechtvaardigen. Hierdoor was de vordering op het moment van het terugvorderingsbesluit in 2019 nog niet verjaard.
Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bleven in stand. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt bevestigd omdat de vordering niet verjaard was op het moment van het terugvorderingsbesluit.