ECLI:NL:CRVB:2024:2358

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2024
Publicatiedatum
17 december 2024
Zaaknummer
24/1207 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, die voorheen als beveiliger werkte, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant slechts 1,86% tot 19,34% arbeidsongeschikt is, wat onvoldoende is voor een uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend zijn. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen, maar bracht geen nieuwe medische informatie in.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt de weigering van de WIA-uitkering. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan op 13 december 2024.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

24/1207 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 april 2024, 23/2034 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 december 2024
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J.E. Fleurkens hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 november 2024. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als beveiliger voor 18,78 uur per week. Op 12 oktober 2020 heeft hij zich vanuit de situatie dat hij recht had op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Appellant heeft op 30 juni 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft een onderzoek plaatsgevonden door een arts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 22 september 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk, maar wel in staat is tot het verrichten van een drietal voorbeeldfuncties. Berekend is dat appellant 1,86% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft bij besluit van 1 november 2022 de WIA-aanvraag van appellant met ingang van 10 oktober 2022 geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Naar aanleiding van het bezwaar van appellant hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is de belastbaarheid als gevolg van objectief medische redenen anders in te schatten dan de primaire arts heeft gedaan. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien het maatmanuurloon en de omvang van de maatgevende arbeid te wijzigen. Ook heeft zij twee van de geselecteerde functies laten vervallen en twee nieuwe functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 19,34%. Het Uwv heeft bij besluit van 17 juli 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 november 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft overwogen dat appellant zijn stelling dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld niet met medische informatie heeft onderbouwd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat er geen grond is voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellant.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en beperkingen en dat hij op de datum in geding meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Daarom zijn volgens appellant de geselecteerde functies niet passend.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
In hoger beroep heeft appellant volstaan met een exacte herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie genoemd of overgelegd. Het is aan appellant om in hoger beroep gronden aan te voeren tegen wat in de aangevallen uitspraak is overwogen over dat wat in beroep tegen het bestreden besluit is aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de gronden van appellant gemotiveerd weersproken en afgewezen. De in hoger beroep herhaalde gronden geven geen aanleiding tot een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Schaap