Uitspraak
WIA-uitkering toe te kennen per 9 april 2013.
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
WIA-uitkering kan krijgen, is bij besluit van 7 oktober 2013 ongegrond verklaard. Appellante heeft geen beroep ingesteld tegen dat besluit.
Centrale Raad van Beroep
Appellante werkte als receptioniste en meldde zich in 2011 ziek met lichamelijke klachten. Het UWV weigerde in 2013 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2020 stelde een verzekeringsarts vast dat er geen nieuwe feiten of toegenomen beperkingen waren binnen vijf jaar na de wachttijd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat het UWV terecht het besluit handhaafde. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had, onder meer door fibromyalgie, ADHD, PTSS en schouderklachten, maar de medische stukken boden geen aanwijzingen voor toegenomen beperkingen binnen de relevante periode.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er was geen aanleiding om het besluit te herzien of een onafhankelijke deskundige te benoemen. De weigering van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na 9 april 2013.