ECLI:NL:CRVB:2024:2360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid op 68,08% door UWV
Appellante betwistte de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid door het UWV op 68,08% per 4 april 2022 en stelde dat zij meer beperkingen heeft dan aangenomen, waardoor de geselecteerde functies niet passend zouden zijn.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsarts de beperkingen overtuigend had gemotiveerd. Appellante kon haar standpunt niet met medische informatie onderbouwen en het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV. De door appellante overgelegde stukken betroffen niet de situatie op de datum in geding en latere gezondheidsproblemen waren niet relevant voor de beoordeling van 4 april 2022.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht is vastgesteld op 68,08%.