Verzoekster diende een aanvraag bijzondere bijstand in die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard. Verzoekster stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde dat de totale duur van de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 10 april 2019 tot aan de intrekking van het hoger beroep op 26 november 2024 ruim vijf jaar bedroeg, wat de redelijke termijn met meer dan een jaar overschrijdt. De overschrijding vond plaats in de rechterlijke fase.
De Raad veroordeelde de Staat der Nederlanden tot betaling van €2.000 aan verzoekster als immateriële schadevergoeding en tot vergoeding van proceskosten van €875 voor het indienen en behandelen van het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.