ECLI:NL:CRVB:2024:2388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage op 63,57% in hoger beroep WIA-uitkering
Appellant betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage door het UWV, dat per 3 augustus 2021 was vastgesteld op 63,57%. Hij stelde dat hij meer medische beperkingen had dan aangenomen en daardoor de geselecteerde functies niet kon vervullen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was uitgevoerd.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, met name over de overschrijding van belastbaarheid bij duwen en trekken in een specifieke functie. Het UWV nam een nieuw besluit waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage werd vastgesteld op 63,57%, gebaseerd op een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundig rapport.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het eerdere besluit van 9 november 2022, verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond en bevestigde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant per 3 augustus 2021 terecht heeft vastgesteld op 63,57%.