ECLI:NL:CRVB:2024:239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-gehuwdenpensioen met terugwerkende kracht na echtscheiding
Appellant ontving vanaf 2008 een AOW-pensioen op gehuwdennorm met toeslag vanwege een echtgenote die nog niet pensioengerechtigd was. Na zijn scheiding in november 2016 herzag de Sociale verzekeringsbank (Svb) in februari 2020 het pensioen met terugwerkende kracht tot december 2016 naar de alleenstaandennorm en beëindigde de toeslag. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening en de terugvordering, stellende dat hij tijdig had geprobeerd zijn echtscheiding in te schrijven, maar dit niet lukte vanwege een ontbrekende stempel, en dat hij financieel in problemen zou komen.
De Svb verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat appellant verplicht was zijn scheiding tijdig te melden, ongeacht de inschrijving bij de gemeente. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat er geen dringende redenen waren om van herziening met terugwerkende kracht af te zien. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
De Raad benadrukte dat appellant op de hoogte had moeten zijn van zijn meldingsplicht en dat het ontbreken van kwade opzet niet tot een andere uitkomst leidt. De herziening blijft daarmee in stand, en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak bevestigt het belang van tijdige melding van wijzigingen in burgerlijke staat voor de juiste vaststelling van AOW-uitkeringen.
Uitkomst: De herziening van het AOW-gehuwdenpensioen met terugwerkende kracht tot december 2016 wordt bevestigd en de toeslag beëindigd.