ECLI:NL:CRVB:2024:2393
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Het UWV nam op 2 juli 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarmee zij aan de bezwaren van appellante tegemoetkwam. Vervolgens trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten.
De Raad overwoog dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming het bestuursorgaan op verzoek van de indiener van het beroepschrift kan worden veroordeeld in de proceskosten. Dit is overeenkomstig van toepassing op hoger beroep volgens artikel 8:108 Awb Pro.
De Raad stelde vast dat de proceskosten redelijkerwijs gemaakt waren en begrootte deze conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Ook werden kosten van een deskundige en het betaalde griffierecht toegewezen, terwijl administratiekosten niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. Het UWV stemde in met de vergoeding van de kosten van de verzekeringsarts en andere facturen, maar niet met een factuur zonder onderliggend rapport.
De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV tot betaling van een totaalbedrag van € 6.312,54 aan proceskosten en € 182,- aan griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.