ECLI:NL:CRVB:2024:2417
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als verkoopmedewerkster, werd na een ongeval ziekgemeld en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan volledig arbeidsongeschikt te zijn vanwege fysieke en cognitieve klachten, en stelde dat haar beperkingen onvoldoende in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren verwerkt. Het UWV handhaafde het standpunt dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die aanvullende beperkingen vaststelde, maar het UWV nam niet alle beperkingen over. Op basis van de aangepaste FML en nieuwe functieselectie bleef de arbeidsongeschiktheid onder 35%. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en bevestigde het besluit van het UWV.
De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering bevestigd.