ECLI:NL:CRVB:2024:2420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA- en Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als voorwerker lakenmangel, meldde zich ziek met diverse klachten en vroeg een WIA-uitkering aan per 2 december 2019. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, wat door de rechtbanken werd bevestigd. Appellante stelde dat haar beperkingen, waaronder chronische migraine en fibromyalgie, onvoldoende waren meegenomen en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat er inderdaad meer beperkingen waren dan het UWV had aangenomen, maar dat de mate van arbeidsongeschiktheid op 0% bleef met een geschat ziekteverzuim van ongeveer 20%. De Raad volgde deze conclusie, oordeelde dat het UWV de beperkingen adequaat had gemotiveerd en dat het ziekteverzuim niet leidde tot een onredelijke tewerkstelling.
Ook ten aanzien van de Ziektewet-uitkering per 20 januari 2020 oordeelde de Raad dat er geen toename van beperkingen was en dat de geselecteerde functies geschikt bleven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraken bevestigd en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering van WIA- en Ziektewet-uitkeringen bevestigd.