ECLI:NL:CRVB:2024:2421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, werkzaam als verkoper, kreeg in 2019 een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35,85%. Na een herbeoordeling in 2022 concludeerde het Uwv dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering per 21 juni 2022 werd beëindigd. Appellant stelde bezwaar en beroep in, waarbij hij een contra-expertise van verzekeringsarts Van der Eijk overlegde die aanvullende beperkingen stelde.
De rechtbank Limburg oordeelde dat de contra-expertise geen twijfel zaaide aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. De arbeidsdeskundige rapportage werd eveneens als voldoende gemotiveerd beoordeeld. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voegde hij medische informatie van zijn behandelend neuroloog en psychiater toe.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die stelde dat de aanvullende medische gegevens geen aanleiding gaven tot een ander oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid. De contra-expertise was gebaseerd op dossieronderzoek zonder spreekuur, waardoor de eerdere beoordelingen prevaleerden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de beëindiging van de WIA-uitkering bleef in stand en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering per 21 juni 2022 wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.