Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:2425

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2024
Publicatiedatum
24 december 2024
Zaaknummer
23/3383 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en proceskostenveroordeling

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV betreffende een WIA-uitkering. Het UWV heeft in een gewijzigd standpunt en gewijzigde beslissing op bezwaar erkend dat appellant recht heeft op een IVA-uitkering vanaf 3 februari 2019, waardoor het bestreden besluit niet langer gehandhaafd kon blijven.

Naar aanleiding hiervan heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling tegen het UWV. De Centrale Raad van Beroep heeft op grond van de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, waaronder kosten voor rechtsbijstand en reiskosten, en het griffierecht dat appellant in hoger beroep heeft betaald.

Het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen IVA-uitkering is afgewezen omdat deze reeds in een eerdere zaak (21/4112 WIA) is toegekend. De uitspraak is gedaan zonder mondelinge behandeling, op basis van de schriftelijke stukken.

Uitkomst: Hoger beroep ingetrokken; UWV veroordeeld tot proceskostenvergoeding en griffierecht, verzoek om wettelijke rente afgewezen.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 december 2024

23 3383 WIA

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 december 2023, 22/1065 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.E. Mussche hoger beroep ingesteld en daarnaast verzocht om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
Het Uwv heeft op 5 april 2024 een verweerschrift ingediend en daarin aangegeven dat het Uwv in de zaak 21/4112 WIA tot het oordeel is gekomen dat appellant per 3 februari 2019 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en in aanmerking wordt gebracht voor een IVAuitkering. Het bestreden besluit kan niet langer gehandhaafd blijven omdat appellant dus ook per datum in geding, 22 september 2021, recht heeft op een IVA-uitkering.
Bij brief van 23 mei 2024 heeft mr. Mussche namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.2.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
1.3.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met het gewijzigde standpunt in het verweerschrift van 5 april 2024 in verband met de gewijzigde beslissing in bezwaar van 5 april 2024 in de zaak 21/4112 WIA aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
1.4.
Het Uwv heeft bij gewijzigd besluit op bezwaar van 6 maart 2023 het bezwaar gegrond verklaard en daarbij de kosten in bezwaar vergoed.
1.5.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak een proceskostenveroordeling in beroep uitgesproken.
1.6.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 875,-) voor verleende rechtsbijstand.
Reiskosten
1.7.
De reiskosten die appellant voor het bijwonen van de zitting in beroep heeft gemaakt komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 20,92 (€ 5,92 voor de bus en € 15,- voor de trein) op basis van openbaar vervoer tweede klas.
Totale proceskostenvergoeding
1.8.
In totaal bedraagt de kostenvergoeding € 895,92.
Griffierecht
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank al bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht in beroep moet vergoeden. Het Uwv dient ook het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Wettelijke rente
3. De Raad heeft in de zaak 21/4112 WIA het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen IVA-uitkering al toegewezen. Nu het in beide zaken om dezelfde IVAuitkering gaat is er in deze zaak geen grond meer voor veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente, zodat dit verzoek in deze zaak wordt afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 895,92;
- wijst het verzoek tot vergoeding van de wettelijke rente af;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) S.P.A. Elzer