ECLI:NL:CRVB:2024:2426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 64,76% en ongewijzigde indeling WIA-klasse
Appellant was werkzaam als junior adviseur en viel uit wegens diverse medische klachten waaronder PTSS en polycythaemia vera. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid meerdere malen vast en handhaafde een percentage rond 65%. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 29 november 2019, stellende dat hij psychisch niet zelfredzaam was en dat de urenbeperking onvoldoende was.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het UWV de functionele mogelijkheden correct had vastgesteld en dat de voorgestelde functies passend waren. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten ernstiger waren en dat er sprake was van overmatig ziekteverzuim. Het UWV onderbouwde haar standpunt met recente rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die de beperkingen en urenbeperking bevestigde. De Raad volgde de deskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, die een arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,76% vaststelden. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk een motiveringsgebrek vertoonde, werd dit met aanvullende rapporten hersteld en werd vastgesteld dat appellant hierdoor niet benadeeld was.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant. Het griffierecht werd eveneens aan appellant vergoed. Hiermee blijft de mate van arbeidsongeschiktheid en de indeling in de WIA-klasse ongewijzigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 64,76% arbeidsongeschiktheid en handhaaft de indeling in de WIA-klasse 55 tot 65%.