ECLI:NL:CRVB:2024:2440

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
7 januari 2025
Zaaknummer
22/3164 WAO-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:55 lid 7 AwbArt. 8:108 lid 1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Vervolgens deed appellante verzet tegen deze beslissing en stelde dat zij niet in verzuim was geweest, onder meer omdat het heffen van griffierecht in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM Pro en omdat haar financiële gegevens vervalst zouden zijn.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante in het verzet geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die rechtvaardigen dat zij niet in verzuim was. Tevens was appellante gewezen op de mogelijkheid om een beroep op betalingsonmacht te doen, maar zij had hiervan geen gebruik gemaakt.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 december 2024.

Uitkomst: Het verzet van appellante wordt ongegrond verklaard wegens geen feiten die het verzuim rechtvaardigen.

Uitspraak

Datum uitspraak: 10 december 2024
22/3164 WAO-V, 22/3166 WAO-V en 22/3167 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 september 2022, 22/177 V, 22/461 V, 22/535 V (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 18 april 2024 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 november 2024.
Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet is betaald.
In verzet heeft appellante gesteld dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante heeft het griffierecht niet betaald, omdat het heffen van griffierecht in strijd is met onder meer artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verder voert appellante onder andere aan dat haar financiële gegevens zijn vervalst en verduisterd.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante is in de nota van 7 oktober 2022, waarin zij werd gewezen op het betalen van griffierecht, gewezen op de mogelijkheid om een beroep op betalingsonmacht te doen. Appellante heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Dit betekent dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) F. Sporrel