Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:245

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 januari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
23/1738 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na herziening besluit CIZ in Wlz-zorgverlening

Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) waarin de aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) was afgewezen. Tijdens de procedure heeft het CIZ het bestreden besluit herzien met een herziene beslissing op bezwaar van 5 oktober 2023, waarbij appellant alsnog in aanmerking werd gebracht voor Wlz-zorg.

Naar aanleiding van deze herziening heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht het CIZ te veroordelen in de proceskosten. Het CIZ stemde niet in met vergoeding van deze kosten. De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het dossier gesloten.

De Raad overwoog dat intrekking van het beroep wegens tegemoetkomen door het bestuursorgaan in beginsel leidt tot een proceskostenveroordeling, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. In deze zaak waren geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een uitzondering rechtvaardigen.

De rechtbank had het CIZ reeds veroordeeld tot vergoeding van kosten in de beroepsprocedure. De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het CIZ nu ook tot vergoeding van de kosten in bezwaar en hoger beroep, begroot op €1.248,- respectievelijk €875,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €136,-.

De uitspraak werd gedaan door rechter D. Hardonk-Prins en griffier A. Giesen op 31 januari 2024.

Uitkomst: Het CIZ is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht na intrekking van het hoger beroep wegens herziening van het besluit.

Uitspraak

Datum uitspraak: 31 januari 2024
23/1738 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2023, 23/63 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C. van Paridon, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 11 oktober 2023 heeft mr. Van Paridon namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het CIZ te veroordelen in de proceskosten.
Het CIZ heeft laten weten niet akkoord te gaan met een vergoeding van de proceskosten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2.1.
Indien het (hoger) beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan het aangevochten besluit heeft ingetrokken of herzien is in beginsel sprake van een tegemoetkomen dat maakt dat een proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
2.2.
Vastgesteld wordt dat het hoger beroep is ingetrokken naar aanleiding van de “herziene beslissing op bezwaar” van het CIZ van 5 oktober 2023. Met deze beslissing heeft het CIZ het aangevochten besluit van 14 maart 2022 (het bestreden besluit), waarbij de afwijzing van de aanvraag van appellant om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) was gehandhaafd, herzien. Appellant is alsnog in aanmerking gebracht voor zorg op grond van de Wlz. Daarmee is sprake van een tegemoetkomen als bedoeld in 2.1.
2.3.
Dat, zoals het CIZ stelt, het nieuwe besluit is gebaseerd op informatie die door appellant is verstrekt buiten de in geding zijnde periode van de datum van de aanvraag tot de datum van het bestreden besluit besluit, te weten in de (hoger) beroepsprocedure, maakt in deze zaak niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op het onder 2.1 genoemde uitgangspunt.
2.4.
De rechtbank heeft het CIZ al veroordeeld tot het vergoeden van de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in de beroepsprocedure. Daarom wordt het CIZ veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.248,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting) en € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
2.5.
Het CIZ moet ook het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het CIZ in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.123,-;
  • bepaalt dat het CIZ aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen