ECLI:NL:CRVB:2024:265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen uitspraak rechtbank in verzetprocedure sociale zekerheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een verzetprocedure zoals bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep openstaat, waardoor de Raad zich onbevoegd verklaart het hoger beroep te behandelen.
De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraak een uitspraak is in een verzetprocedure tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, en dat de wet expliciet hoger beroep tegen deze uitspraak uitsluit. Daarom wordt het hoger beroep zonder inhoudelijke behandeling afgewezen.
Daarnaast bepaalt de Raad dat het betaalde griffierecht van €136,- aan appellante wordt terugbetaald, omdat het hoger beroep kennelijk niet ontvankelijk is. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd het hoger beroep te behandelen en bepaalt terugbetaling van het griffierecht.