ECLI:NL:CRVB:2024:27

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
9 januari 2024
Zaaknummer
21/4584 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens ontbreken medische noodzaak

Appellante, die een uitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuiskosten. Het college wees dit af omdat de verhuiskosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden zoals vereist in artikel 35 van Pro de Participatiewet. Appellante stelde dat medische redenen de verhuizing noodzakelijk maakten en overhandigde verklaringen van haar huisarts.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De verklaringen van de huisarts gaven wel aan dat appellante psychische klachten had door weinig licht, maar toonden niet aan dat een plotselinge en onvoorzienbare verhuizing noodzakelijk was. Ook het bestreden besluit erkende geen medische noodzaak.

De Raad concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die bijzondere bijstand rechtvaardigen. Het hoger beroep werd afgewezen en appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten. De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor verhuiskosten wordt bevestigd wegens ontbreken van medische noodzaak.

Uitspraak

21/4584 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2021, 20/3527 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 9 januari 2024

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand van appellante voor verhuiskosten. Volgens het college vloeien de kosten niet voort uit bijzondere omstandigheden zoals vereist in artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW). De Raad volgt het college hierin. Het hoger beroep van appellante slaagt niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere reacties gegeven.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 november 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt een uitkering van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze uitkering bedroeg ten tijde van belang € 1.177,44 per maand.
1.2.
Op 17 maart 2020 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor verhuiskosten tot een bedrag van € 2.460,97.
1.3.
Met een besluit van 1 april 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 mei 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat weergegeven en voor zover van belang, het volgende ten grondslag. De kosten van een verhuizing zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en worden in beginsel geacht te worden voldaan uit eigen inkomen, reservering vooraf of gespreide betaling achteraf. Appellante voldoet niet aan de voorwaarde dat de kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Het college erkent dat appellante medische klachten heeft en om die reden wil verhuizen. Uit de verklaring van de huisarts van 4 september 2019 blijkt dat appellante vanwege het weinige licht in haar appartement meer last heeft van psychische klachten, maar niet dat een plotselinge en onvoorzienbare verhuizing noodzakelijk is. De verklaring betreft een advies om medewerking aan een lichte/luchtige woning. Daarom blijkt uit die verklaring niet dat er bijzondere omstandigheden zijn die de verhuizing om medische redenen noodzakelijk maken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW.
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat de bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de medische noodzaak om te verhuizen. Daarbij heeft appellante verwezen naar de op haar verzoek opgestelde verklaringen van haar huisarts die zij in bezwaar en in hoger beroep heeft overgelegd. Ook heeft het college volgens appellante de medische noodzaak erkend, nu in het bestreden besluit is vermeld dat het college erkent dat appellante medische klachten heeft en om die reden wil verhuizen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van betekenis.
4.2.1.
Appellante heeft in haar aanvraag als toelichting vermeld: “Ik doe deze woningruil omdat ik nu geen buiten (balkon/tuin) heb voor mijn hondje en omdat ik alleenstaand ben en erg van tuinieren hou. Heb deze woningruilpartner gevonden via woningruil.nl.” Die toelichting wijst niet op een medische noodzaak om te verhuizen.
4.2.2.
In de in bezwaar overgelegde verklaring van 4 september 2019 schrijft de huisarts dat appellante sinds vijf jaar woont op adres X, bekend is met stemmingsstoornissen en door weinig licht in haar appartement meer last heeft van haar psychische klachten. De huisarts vraagt in deze verklaring, die niet is gericht aan een nader aangeduide persoon of instantie, te overwegen een andere woning met meer licht en lucht voor appellante te organiseren. In de in hoger beroep overgelegde verklaring van 29 november 2021 herhaalt de huisarts dat appellante door weinig licht in haar appartement meer last van haar psychische klachten had. Verder schrijft zij dat, nu appellante in een benedenwoning woont met meer lichtinval en een tuintje, het veel beter met haar lijkt te gaan. Deze verklaringen zijn onvoldoende om aan te nemen dat er medische redenen waren die het noodzakelijk maakten dat appellante verhuisde en dat het college voor de verhuiskosten bijzondere bijstand had moeten verlenen.
4.2.3.
Verder kan, anders dan appellante stelt, uit de in 4.2 bedoelde vermelding in het bestreden besluit niet worden opgemaakt dat het college de medische noodzaak voor verhuizing erkent. Het bestreden besluit moet in zijn geheel worden bezien. Dan kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het college zich op het standpunt stelt dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de verhuizing om medische redenen noodzakelijk maakten.
4.2.4.
Uit 4.2.1 tot en met 4.2.3 volgt dat het college het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand terecht ongegrond heeft verklaard.
4.3.
Dit brengt mee dat de beroepsgrond dat het college een onjuiste draagkrachtberekening heeft gemaakt, buiten bespreking kan blijven.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2024.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) N. van der Horn