ECLI:NL:CRVB:2024:294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving vanaf augustus 2020 een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een melding van toegenomen klachten in december 2020 vond een herbeoordeling plaats, waarna het UWV vaststelde dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 40,41% per april 2021. Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, waarna het UWV in maart 2022 besloot dat zij per april 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en haar WIA-uitkering beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat zij haar bezwaren grotendeels herhaalde zonder nieuwe argumenten of medische gegevens te overleggen. Appellante stelde in hoger beroep dat nieuwe argumenten niet noodzakelijk waren en verwees naar het verzekeringsgeneeskundig protocol CVS en de behandeling van haar slaapapneu.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende gemotiveerd en specifiek haar standpunt betwistte en dat het UWV terecht geen verdere beperkingen had vastgesteld. De Raad bevestigde dat de beëindiging van de WIA-uitkering per april 2022 terecht is en wees het hoger beroep af. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.