Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WIA-uitkering te beëindigen. De rechtbank Amsterdam stelde vast dat het medisch onderzoek door het UWV niet zorgvuldig was omdat appellante niet fysiek was onderzocht door een verzekeringsarts. De rechtbank beval het UWV alsnog een fysiek onderzoek te doen, maar wees de proceskostenvergoeding en het griffierecht af.
In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank ten onrechte het UWV niet had veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het UWV gaf aan geen bezwaar te hebben tegen vergoeding van rechtsbijstandkosten volgens het forfaitair systeem.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank onterecht het UWV niet heeft veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De Raad vernietigde het bestreden vonnis voor zover het proceskosten betreft en veroordeelde het UWV tot betaling van in totaal €2.625,- aan proceskosten en €185,- aan griffierecht.
De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldig medisch onderzoek in WIA-zaken en onderstreept dat het UWV aansprakelijk is voor proceskosten wanneer het onderzoek tekortschiet. Hiermee wordt appellante volledig in het gelijk gesteld in haar vordering tot kostenvergoeding.