ECLI:NL:CRVB:2024:346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met rugklachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard. Na bezwaar en beroep bleef het UWV bij dit standpunt, waarop appellant zich tot de rechtbank wendde. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren onderbouwd.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij vanwege rugklachten niet in staat was de voorgestelde functies uit te oefenen. De Centrale Raad van Beroep heeft dit beroep beoordeeld en geoordeeld dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De medische beoordeling was zorgvuldig en hield rekening met de rugklachten, zonder aanleiding voor een urenbeperking.
De arbeidskundige beoordeling bevestigde dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.