Uitspraak
PROCESVERLOOP
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante is sinds januari 2018 arbeidsongeschikt door ziekte en een enkelblessure na een val, met diverse medische complicaties. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen groter waren, onder meer door zwangerschap, bekkeninstabiliteit, schouderklachten en incontinentie, en dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was. Het UWV handhaafde haar standpunt en de Raad heropende het onderzoek, waarbij aanvullende medische rapporten werden ingewonnen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst adequaat waren vastgesteld en dat appellante in staat was de geselecteerde functies te verrichten. De schouderklachten waren niet aantoonbaar aanwezig op de beoordelingsdatum en het gebruik van krukken was in de beoordeling meegenomen.
Hoewel het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was omtrent het gebruik van krukken en softcase gipsverband, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellante niet benadeeld werd. Het hoger beroep werd afgewezen, de weigering van de WIA-uitkering bevestigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.