ECLI:NL:CRVB:2024:399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en proceskostenveroordeling
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, maar het UWV kwam haar tegemoet met een nieuwe beslissing op bezwaar waarin de uitkering op grond van de Ziektewet werd voortgezet vanaf februari 2020. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht zij de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten.
De Raad stelde vast dat op grond van artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in de kosten kan worden veroordeeld. De nieuwe beslissing van het UWV maakte het bezwaar gegrond en leidde tot voortzetting van de uitkering, waarmee aan appellante was tegemoetgekomen.
De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante, begroot op €4.934,50, bestaande uit kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Daarnaast werd het UWV verplicht het betaalde griffierecht van €182,- te vergoeden. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 28 februari 2024.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.