ECLI:NL:CRVB:2024:438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellant heeft zich ziekgemeld in 2013 en verzocht om een WIA-uitkering, welke door het UWV in 2015 werd geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een eerdere procedure en deskundigenrapporten bleef deze weigering in stand. In 2020 meldde appellant toegenomen klachten per 1 november 2019, maar het UWV weigerde opnieuw een uitkering toe te kennen omdat de toegenomen beperkingen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkwamen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de toegenomen klachten, waaronder obstructieve slaapapneu, nek- en schouderklachten, duizeligheid en rugklachten, niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortvloeiden. De Raad bevestigt dit oordeel na beoordeling van medische rapporten en het dossier, waarbij geen nieuwe medische onderbouwing is geleverd die het standpunt van appellant ondersteunt.
De Raad concludeert dat de weigering van het UWV terecht is en wijst het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door C. Karman op 21 februari 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.