ECLI:NL:CRVB:2024:472
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen per 25 januari 2022, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zij stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen, waaronder PPPD, PTSS, hypersensitiviteit, paniekaanvallen en borderline, waardoor zij niet geschikt zou zijn voor de door het UWV geselecteerde functies.
De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank achtte de medische beoordeling en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van het UWV overtuigend en voldoende gemotiveerd. Ook de geschiktheid van de geduide functies werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad achtte de medische beperkingen zoals vastgesteld in de FML passend en vond geen aanleiding voor het aannemen van verdere beperkingen. De brief van psycholoog Jager uit 2023 bood volgens de Raad onvoldoende steun voor een andere beoordeling, mede omdat deze na de datum in geding was opgesteld. De arbeidskundige beoordeling van het UWV werd eveneens bevestigd.
De Raad concludeert dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten omdat het hoger beroep niet slaagt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.