ECLI:NL:CRVB:2024:473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens een hernia, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast, maar concludeerden dat appellant geschikt is voor andere functies en niet voldoet aan de vereiste mate van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en de door appellant aangevoerde extra beperkingen niet werden onderbouwd met medische stukken. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij meer beperkingen had, waaronder een urenbeperking en medicijngebruik.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig was, dat informatie van behandelend artsen is betrokken en dat de door appellant aangevoerde argumenten onvoldoende zijn onderbouwd. De Raad bevestigt dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn en dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waardoor de weigering van de WIA-uitkering terecht is.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.