ECLI:NL:CRVB:2024:48
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens niet-verzekerd zijn op eerste arbeidsongeschiktheidsdag
Appellant was werkzaam als oproepkracht via een uitzendbureau tot 2 november 2016 en meldde zich op 3 augustus 2018 met terugwerkende kracht ziek vanaf 8 oktober 2016. Het UWV kende aanvankelijk een Ziektewetuitkering toe en later een WIA-uitkering met toeslag. Na bezwaar stelde een verzekeringsarts bezwaar en beroep de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 21 juni 2017, waarna het UWV de WIA-uitkering beëindigde omdat appellant op dat moment niet verzekerd was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag en wees op vaste jurisprudentie dat risico van late ziekmelding voor rekening van werknemer komt. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij al eerder arbeidsongeschikt was en niet geschikt voor zijn werk.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat hoewel er op 8 oktober 2016 wel klachten waren, appellant nog parttime zijn werk kon verrichten en er geen harde medische gegevens zijn die een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag ondersteunen. Het rapport was zorgvuldig en consistent, waarna de Raad het oordeel van de deskundige volgde.
De Raad bevestigde dat appellant niet verzekerd was op 21 juni 2017 en dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd per 21 november 2017. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet verzekerd was.