Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:501

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
21/1765 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep niet-tijdig beslissen bij bijstandsaanvraag

Appellant heeft meerdere aanvragen om bijstand ingediend, waarvan het college de meeste buiten behandeling heeft gesteld. Op 13 maart 2020 diende appellant opnieuw een aanvraag in die het college op 1 juli 2020 buiten behandeling stelde. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het college de beslistermijn opschortte en later verlengde.

Op 22 december 2022 stelde appellant beroep in bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het college nog niet in verzuim was vanwege de verlengde beslistermijn en appellant het college niet in gebreke had gesteld.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt omdat appellant het beroep te vroeg had ingesteld en niet had voldaan aan de vereiste ingebrekestelling. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard omdat het college de beslistermijn had verlengd en appellant het college niet in gebreke had gesteld.

Uitspraak

21/1765 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 april 2021, 20/10314 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (college)
Datum uitspraak: 27 februari 2024
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een beroep niet-tijdig beslissen dat appellant heeft ingesteld bij de rechtbank. Op het moment dat appellant het beroep indiende was het college nog niet in verzuim, omdat het college de beslistermijn had verlengd. Daarnaast had appellant het college niet in gebreke gesteld. Volgens appellant had de rechtbank moeten beoordelen of hij recht op bijstand had. De Raad geeft appellant hierin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak, gelijktijdig met de zaken 21/3838, 21/3839 PW, 21/3840 PW, 21/3841 PW, 21/3842 PW, 21/3843 PW, behandeld op een zitting van 15 november 2023. Voor appellant is [gemachtigde] verschenen, vergezeld van [naam]. Het college heeft via beeldbellen deelgenomen aan de zitting en heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Francke en J. Faber. In de hiervoor genoemde zaken wordt vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft diverse aanvragen om bijstand ingediend. Hij heeft zich voor de eerste keer gemeld op 17 mei 2019. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Hierna heeft appellant meerdere opvolgende aanvragen om algemene bijstand ingediend. Deze aanvragen heeft het college steeds buitenbehandeling gesteld.
1.2.
Ook op 13 maart 2020 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. Met het besluit van 1 juli 2020 heeft het college deze aanvraag buitenbehandeling gesteld. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft vervolgens de beslistermijn opgeschort met drie weken. Met de brief van 23 november 2020 heeft het college de beslistermijn met zes weken verlengd met ingang van 26 november 2020.
1.3.
Op 22 december 2022 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niettijdig beslissen op zijn bezwaar.
1.4.
Het college heeft op 5 oktober 2021 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank zijn rechten volledig heeft genegeerd en dat de rechtbank zijn recht op bijstand had moeten beoordelen.
4.2.
De beroepsgronden van appellant slagen niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant beroep heeft ingesteld voordat de verlengde beslistermijn is verstreken. Op het moment dat appellant het beroep indiende was het college nog niet in verzuim, omdat het college de beslistermijn had verlengd. Daarnaast is niet gebleken dat appellant het college in gebreke heeft gesteld. In de aangevallen uitspraak kon de rechtbank daarom niet toekomen aan een beoordeling van het recht op bijstand.
4.3.
De rechtbank heeft het beroep van appellant dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van N.B. Yalcinkaya als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2024.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) N.B. Yalcinkaya

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:2, aanhef en onder b
Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
Artikel 6:12
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.