ECLI:NL:CRVB:2024:503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken, waaronder meerdere Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML), concludeerde het UWV dat appellante geschikt is voor passende functies en dus niet arbeidsongeschikt genoeg is voor een uitkering.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek in het bezwaarproces, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de WIA-uitkering terecht was afgewezen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het opleidingsniveau onjuist was vastgesteld en dat er onvoldoende dagverhaal was afgenomen. De Raad volgde deze argumenten niet.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV en de rechtbank de beperkingen en het opleidingsniveau zorgvuldig en overtuigend hadden vastgesteld. Er was geen aanleiding een deskundige te benoemen en de geduide functies waren passend. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.