ECLI:NL:CRVB:2024:507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens verblijf buiten Nederland bevestigd
Appellante ontving sinds 2012 een Wajong-uitkering vanwege psychische problematiek. In 2018 vroeg zij toestemming om met behoud van uitkering in Turkije te verblijven, welke slechts tot 4 maart 2019 werd verleend. Daarna verbleef zij zonder toestemming in het buitenland. Het UWV beëindigde daarom haar uitkering per 5 maart 2019.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij in Nederland woont en tijdelijk naar Turkije reist vanwege verzorging door familie, en dat beëindiging van haar uitkering een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. De rechtbank Amsterdam verklaarde haar beroep ongegrond en oordeelde dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij in Nederland woont of dat er zwaarwegende redenen zijn om af te wijken van het exportverbod.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad vindt dat appellante onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat zij duurzaam in Nederland woont of dat er sprake is van onbillijkheid. De hardheidsclausule is niet van toepassing. Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Wajong-uitkering per 5 maart 2019 wegens verblijf buiten Nederland.