Appellante ontving sinds 2013 een WIA-uitkering vanwege volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door het UWV in 2020 en 2021 werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna haar uitkering werd beëindigd per 4 augustus 2021. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van mei 2021 waren onderschat, onder meer vanwege pijnklachten aan schouders, nek, handen en polsen, die volgens haar een medisch substraat hebben. Zij overhandigde een rapport van een medisch adviseur en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank dat de medische conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed gemotiveerd en navolgbaar zijn. De Raad oordeelde dat de herbeoordeling de actuele situatie van appellante betreft en dat geen sprake is van tegenstrijdigheid met eerdere beoordelingen. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Ook de arbeidskundige beoordeling werd niet betwist. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.