De zaak betreft een geschil over de vraag of het CAK terecht een boete heeft opgelegd aan betrokkene wegens het niet tijdig afsluiten van een zorgverzekering binnen drie maanden na verzending van een aanmaning. Betrokkene stelde dat zij onterecht een dag minder dan drie maanden de tijd had gekregen. De rechtbank Amsterdam gaf betrokkene gelijk en vernietigde het boetebesluit.
Het CAK ging in hoger beroep en voerde aan dat de termijn van drie maanden begint op de dag van verzending van de aanmaning, niet de dag erna. Betrokkene verwees naar een arrest van de Hoge Raad over vergelijkbare termijnen, waarin werd geoordeeld dat de termijn begint de dag na het relevante moment.
De Raad oordeelde dat de termijn inderdaad begint op de dag na verzending van de aanmaning, conform de bedoeling van de wetgever en de memorie van toelichting. Dit betekent dat betrokkene tijdig een zorgverzekering heeft afgesloten en dat het CAK ten onrechte een boete heeft opgelegd. Het hoger beroep van het CAK werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad veroordeelde het CAK tevens in de proceskosten van betrokkene en legde griffierecht op aan het CAK.