ECLI:NL:CRVB:2024:56
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening opvang en weigering noodopvang voor dakloze moeder en zoon
Appellante, een Surinaamse vrouw die sinds 2018 in Nederland verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor opvang op grond van de Wmo 2015 en noodopvang voor zichzelf en haar minderjarige zoon. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvragen af omdat appellante voldoende zelfredzaam is en zelf in onderdak kan voorzien.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het college onvoldoende onderzoek had verricht, onvoldoende rekening hield met de belangen van haar zoon en dat de weigering van noodopvang haar en haar zoon in een noodsituatie brengt, met risico op schending van fundamentele rechten. Zij verzocht ook om een deskundige en het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.
De Raad oordeelt dat appellante wel in staat is zich te handhaven en zelf in onderdak te voorzien. Het GGD-onderzoek toonde geen problemen die nader onderzoek rechtvaardigen. De Raad volgt het standpunt dat de Wmo 2015 niet bedoeld is om het tekort aan betaalbare woonruimte op te lossen. Ook het beroep op artikel 20 VWEU Pro en het recht op noodopvang slaagt niet, omdat er geen aannemelijk risico is dat de zoon van appellante geen menswaardig bestaan kan leiden of dat zijn grondrechten worden geschonden.
De Raad ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen en bevestigt de eerdere uitspraak. De Raad benadrukt de zorgelijke gevolgen van woningnood en doet een dringend beroep op de overheid om een oplossing te zoeken. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor maatwerkvoorziening opvang en de weigering van noodopvang worden bevestigd omdat appellante zelfredzaam is en zelf in onderdak kan voorzien.